Tip de redactie

Wat zijn je gegevens?
Over welk onderzoek gaat het?
Wat is je tip?
Voeg een document toe (optioneel)

Via bovenstaand formulier mail je jouw tip direct naar de redactie.

We zijn ook te bereiken op onze tiplijn:

035-6719794

Stuur je liever een mail, dan kan dat op:

demonitor@kro-ncrv.nl

Een tip per post kan naar:

KRO-NCRV
t.a.v. De Monitor,
Postbus 25000
1202 HB Hilversum

Zorgvuldig en anoniem

We lezen alle tips zorgvuldig en zullen indien nodig contact met je opnemen als wij meer informatie kunnen gebruiken. Wij zullen onze bronnen altijd beschermen. Indien gewenst dragen wij zorg voor jouw anonimiteit.

Kindermishandeling

Gerechtshof tikt Raad Kinderbescherming op vingers voor gebrek aan goed onderzoek

18 maart 2017, 9:55 - Josselin Gordijn
Advocate Van Waesberghe ging ik hoger beroep tegen de uitspraak van de rechter.

Haar baby werd uit huis geplaatst. Gebeurde dat op basis van gegrond onderzoek? De moeder van het kindje meent van niet en gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechter. Ze wordt door het Gerechtshof in het gelijk gesteld: het onderzoek is inderdaad niet gedegen. De hulpverlening en de Raad voor de Kinderbescherming, die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek, krijgen een stevige tik op de vingers van het Gerechtshof. Voor ons dossier Kindermishandeling spreken we Anita van Waesberghe-Janssen, de advocate van betreffende moeder. Zij stelt dat het vooral de onderbuikgevoelens van de hulpverleners zijn die leidend waren in dit onderzoek.

Wat hieraan vooraf ging? Van Waesberghe, van SRK Rechtsbijstand, vertelt: ‘Mijn cliënte, de moeder van het kindje, kreeg ernstige complicaties in de laatste fase van de zwangerschap van haar zoon. Na een moeizame bevalling kwam ze in samenspraak met de verpleging tot de conclusie dat ze zowel psychisch als lichamelijk voorlopig niet in staat was haar kindje een veilig en stabiel thuis te bieden. Ze is een alleenstaande moeder en had dus geen partner om op terug te vallen. Ze stemde in met het voorstel om haar baby in een crisispleeggezin te plaatsen. Dat leek haar op dat moment ook de beste oplossing.’

Van Waesberghe’s cliënte zag haar kindje vervolgens sporadisch. Na drie maanden ging de baby naar een zogenaamd ‘perspectief biedend pleeggezin’: een plaats waar het voor lange tijd zou kunnen blijven. Met de moeder ging het ondertussen niet zo goed. Ze liet zich eens ontvallen ‘dat ze er een einde aan wilde maken.’ Van Waesberghe: ‘Zo’n uitspraak komt natuurlijk in ‘glitterletters’ in haar dossier. Ik begrijp dat er allerlei alarmbellen afgaan bij instanties als ze zo’n uitspraak horen. Mijn cliënte baalde er achteraf enorm van: ze was zich er toen niet van bewust dat dit tegen haar zou gaan werken.’

Lang traject, geen duidelijke uitkomst

Vervolgens brak er een lang traject aan. Om het kindje weer thuis te krijgen, moest duidelijk worden dat moeder goed voor de baby kon zorgen en het kind een veilig thuis zou kunnen bieden. ‘Mijn cliënte had een paar zaken niet in haar voordeel,’ zegt Van Waesberghe. ‘Ze had een klein sociaal netwerk om zich heen en een familielid in haar nabije omgeving die optrad als een soort woordvoerder. Hij beweerde naar de hulpverlening toe dat mijn cliënte autisme had. Dat zou natuurlijk niet in haar voordeel werken. Of ze echt niet voor haar baby kon zorgen, zou moeten blijken uit een grondig moeder-kind onderzoek, waar moeder in omgang met haar kind een langere periode geobserveerd moest worden. Maar dat onderzoek kwam niet van de grond. Door allerlei vage redenen duurde en duurde het maar voort. Je komt in een cirkel terecht. De hulpverlening om moeder heen denkt dat ze niet geschikt is om voor haar kind te zorgen, maar er is nog niks bewezen.’

Tunnelvisie

Vervolgens liet moeder zich psychologisch onderzoeken. Had ze echt een psychische stoornis?

Van Waesberghe benadrukt dat De Raad voor de Kinderbescherming in eerste instantie scherp was. ‘Ze merkten op dat het woordvoerende familielid van de moeder, die had beweerd dat ze autisme had, een gekke rol speelde in de zaak. Hij had een te groot aandeel. Ook vonden ze dat de gezinsvoogd en de pleegzorgbegeleider vooringenomen waren. De Raad sprak zelfs over een ‘tunnelvisie’: er werd aldoor uitgegaan van het scenario dat moeder niet geschikt was om voor haar kind te zorgen; alle andere opties werden buiten beschouwing gelaten.’

‘Hoe kan de Raad voor de Kinderbescherming zulke conclusies trekken, als er geen gedegen onderzoek is gedaan?!’

Anita van Waesberghe, advocate SRK Rechtsbijstand

Toch ongeschikt

Maar toch maakte de Raad vervolgens een rare draai in haar uiteindelijke advies, volgens Van Waesberghe. ‘Eerst erkende de Raad de wantoestanden en deden ze hun best dit op te lossen, en daarna gaan ze toch mee in hetzelfde verhaal: Moeder is niet geschikt. Hoe kunnen ze dat nou concluderen, als er nog steeds geen moeder-kind onderzoek is gedaan?!’ Volgens Van Waesberghe heeft de Raad zich laten meeslepen in de onderbuikgevoelens van de hulpverlening om moeder heen. ‘Mijn cliënte werd tijdens de contactmomenten met haar kindje geobserveerd door een wijkteam. Zij zouden ook geconcludeerd hebben dat moeder onvoldoende ouderschapskwaliteiten had. Maar: de hulpverleners die dit concludeerden, mogen dergelijke uitspraken helemaal niet doen. Dat hoort niet bij hun functie.’

Klopt de uitspraak van de Rechter? Nee, zegt het Hof

Toch concludeerde de Raad voor de Kinderbescherming dat het kind (inmiddels een peuter) uit huis geplaatst moest blijven en gaf dit advies ook aan de rechter. De rechter nam het over en moeder zou haar zoontje slechts een keer in de drie weken een uurtje mogen zien. Van Waesberghe vocht dit aan bij het Gerechtshof.

Vervolgens boog het Hof zich erover en deed een uitspraak: op grond van de overlegde stukken had er niet geconcludeerd mogen worden dat de gronden voor een uithuisplaatsing aanwezig zijn. Volgens het Hof is er geen deugdelijk onderzoek gedaan naar de situatie van moeder en zijn er dus geen goede gronden om een dergelijke conclusie op te baseren. Bovendien bleek uit psychisch onderzoek van de moeder dat ze, anders dan de instelling vermoedde, geen persoonlijkheidsstoornis, noch een autismespectrumstoornis heeft. Ook concludeert het Hof dat de Raad voor de Kinderbescherming een ‘flinterdunne, ondoorzichtige en onduidelijke motivering’ heeft voor het advies dat zij aan de rechter gaven. ‘Het kan niet zo zijn dat er eerst gekomen wordt tot de conclusie dat er sprake zou zijn van tunnelvisie en vervolgens zonder grondige motivering daarvan wordt afgestapt’, is er te lezen in de uitspraak. Het Hof concludeert tot slot dat moeder vanaf nu haar kindje iedere week twee uur mag zien, zodat ze een band kunnen opbouwen.

Incidenteel of niet?

Advocate van Waesberghe geeft aan dat ze dit soort zaken vaker tegenkomt. ‘De onderbuik is leidend bij veel hulpverleners. Dan kan het dus zijn dat op verkeerde gronden, een conclusie wordt getrokken. Dat is natuurlijk verschrikkelijk. Als het kind in dit geval uit huis geplaatst moet blijven, omdat het daar beter af zou zijn, moeten we ons daar bij neerleggen. Maar dan moet dat wel blijken uit een goed, onafhankelijk onderzoek. Als dat niet het geval is, is het voor mijn cliënte niet te begrijpen.’

Weet u meer over dit onderwerp? Meld je bij ons: demonitor@kro-ncrv.nl

Toon reacties
Reageer